Spiegels

Ik ben zes en sta op een kruk,
voor de wastafel op de slaapkamer van mijn ouders.
Het kastje daarboven heeft spiegels als deuren, ook aan de binnenkant. Ik leun voorover want ik heb ontdekt dat daar, in die spiegels de oneindigheid is. Nóg verder, om het beter te kunnen zien.

Wég oneindigheid. Mijn eigen hoofd zit er voor, en blijft er voor zitten, wát ik ook doe. Ik buig terug. Ik probeer de deurtjes zo te bewegen, dat ik zo ver mogelijk kan kijken. Dat is niet ver genoeg. De oneindigheid neemt een flauwe bocht, en gaat dan zelf het hoekje om.

Later. De vader van een vriendje is politie agent. Ik mag een keer kijken op het politiebureau.  Daar zie ik, een wonder. De spiegel van de observatiecel. Waar je aan de ene kant doorheen kunt kijken, maar die aan de andere kant spiegel is

Dit is de oplossing. Als ik een van de twee deurtjes vervang door zo’n spiegel!

Maar als ik beter kijk, weet ik dat ook dit niet gaat lukken, want als ik met mijn voorhoofd tegen de spiegelkant sta, kan ik er tóch doorheen kijken.  

Dat betekent natuurlijk dat na spiegel op spiegel,  de spiegel steeds minder spiegelt.

Ik weet ook dat dat niet de échte reden is dat het niet gaat lukken.

Want het is vals spelen. De oneindigheid in het gezicht willen kijken, maar zelf niet gezien willen worden.

Ik weet dat er iets is, vlakbij. Ik heb het bijna aangeraakt.

En tegelijk weet ik, dat ik het nooit zal weten.

En dat wist ik van te voren.

Het verhaal van de stilte

In het stiltecentrum van het ziekenhuis zit Jacob, arts in opleiding. Hij heeft net zijn  begeleidingsgesprek achter de rug.

Ongeschikt.

Dat woord werd in het gesprek te nadrukkelijk vermeden.

Jacob wilde zich verdedigen, maar de uitdrukking op het gezicht van zijn begeleider deed hem zijn protesten inslikken, en de stress en paniek van de afgelopen maanden verdronken in een golf van verdriet. De kracht daarvan was zo groot dat hij werd overrompeld. Hij is gevlucht naar de stilteruimte.

Daar is die ene gedachte bovenal aanwezig: stoppen met de studie is verraad aan zijn vader. Hoewel hij probeert zijn emoties in bedwang te houden kan hij niet voorkomen dat de beelden bovenkomen. Het strakke gezicht en de houterige bewegingen die veroorzaakt werden door de Parkinson. De spullen die zijn vader verzameld had op krukjes rond zijn stoel in de hoek van de kamer, zodat hij er makkelijk bij kon. De handen die ooit een poppenkast hadden gebouwd als verjaardagscadeau, maar nu moeite hadden met de simpelste handelingen.

De beelden brengen hem terug naar het ouderlijk huis. Met zijn allen rond de tafel, gezamenlijk in het regelen van de begrafenis, verbonden in verdriet. Hij hoort weer de koeling onder de grafkist die af en toe aansloeg. Alsof zijn vader vanuit de hoek van de kamer liet weten dat hij er nog was.

Hij weet niet hoelang hij hier al zit als er een man binnenkomt die zwijgend op het bankje naast hem gaat zitten.
“Mooi hè?, de stilte”, zegt de man. Hij legt zachtjes zijn hand op de schouder van Jacob. Deze voelt daarin een aanmoediging om zich te laten gaan. Heel langzaam beginnen de tranen te stromen, en hij geeft zich over aan het verhaal van de stilte.

Veel later loopt Jacob weer door de gangen van het ziekenhuis. Als hij een arts tegenkomt voelt hij niet langer dat knagende gevoel in zijn buik. Zijn medische loopbaan is een vage herinnering. Hij heeft nu zijn eigen werk in het ziekenhuis, als verteller. Aan het ziekbed maakt hij samen met de patiënt een verhaal. Hij heeft van verschillende artsen en verpleegkundigen al te horen gekregen dat dit het genezingsproces positief beïnvloedt.

Vandaag is hij op weg naar een patiënt die Parkinson heeft en vanwege complicaties is opgenomen. Zijn hoofd zit vol gedachten. Voor de kamerdeur stopt hij. Hij haalt diep adem om zijn hoofd leeg te maken en loopt dan de kamer binnen. Hij groet de patiënt en gaat op de rand van het bed zitten.
“Zullen we maar gewoon beginnen?”, hij neemt de hand van de patiënt in de zijne. De patiënt knikt.
“Goed. Waarheen leidt ons verhaal?”
“Naar de bergen”, antwoordt de patiënt.
“Sluit dan je ogen en zie de bergen voor je”. De patiënt en de verteller sluiten beiden de ogen. De verteller gaat verder:
“Ruik de frisse berglucht. Voel je voeten op de rotsbodem. Luister naar de geluiden om je heen. Kijk naar alle kleuren die je hier kunt zien.”
“Ik ben er”, zegt de patiënt even later, “ik zie een bergpad omhooglopen”.
“Zullen we het pad volgen?”, vraagt de verteller.

De patiënt antwoordt bevestigend en samen lopen ze het pad op. Het pad leidt zigzaggend omhoog. Ze lopen door loofbos, klauteren over rotsen, steken wildstromende bergbeken over en rusten uit in een alpenweide. Dan gaan ze weer verder. Het loofbos gaat langzaam over in naaldbos. De begroeiing wordt lager, tot er alleen nog wat mos te zien is tussen de rotsen. Weer houden de wandelaars stil.

Zittend op een grote rots kijken ze het dal in.
“Wat, mooi om het leven vanaf deze hoogte te bezien”, zegt de patiënt. De verteller kijkt opzij. Hij ziet een vredige glimlach op het gezicht van zijn wandelpartner. De patiënt wijst omhoog, naar de toppen die boven hen liggen.
“Die top daar”, de patiënt wacht even tot de verteller zijn wijzende vinger heeft kunnen volgen, “die top kunnen we nog bereiken.”
De verteller knikt en ze gaan weer op weg. De patiënt gaat voorop, zijn pas is veerkrachtiger geworden. Met zichtbaar gemak vinden zijn voeten een weg over de rotsen. De verteller volgt, maar moeizamer. Hoe hoger ze komen, hoe meer moeite hij krijgt met het tempo van zijn reisgenoot. De top blijkt verder weg dan hij dacht. Hij dringt aan op een pauze. Eenmaal zittend komt hij langzaam weer op adem.
“Ik weet niet of ik het nog red tot de top”, zegt hij, “Misschien is het verstandiger om weer terug te keren.”
“Ik wil wel erg graag de top zien te bereiken”, zegt de patiënt, “wacht jij dan hier”.

De verteller is te moe om er tegen in te gaan en gebaart dat zijn reisgenoot dan maar verder moet gaan. Hij kijkt hem na. Als hij ziet hoe oneindig klein de wandelaar wordt ten opzichte van die machtige toppen beseft hij pas wat de patiënt aan het doen is. Hij wil opstaan, hem achterna. Dan voelt hij een hand op zijn schouder die hem zacht tegen houdt. Hij kijkt om en ziet zijn vader staan.
“Het is goed.”, zegt deze: “Op dit laatste stuk kun jij niet mee. Het is nu zaak om je eigen weg weer te vervolgen”.

De verteller kijkt naar de wandelaar die nauwelijks meer te zien is. Zijn ogen dwalen af naar de silhouetten van de bergtoppen. Haast onmerkbaar gaan ze op en neer als ze de pieken en dalen volgen.

De pieken en dalen op de monitor naast het bed van de patiënt worden onregelmatiger en gaan over in een vlakke lijn. De verteller doet zijn ogen open. Op de pieptoon komen verpleegkundigen de kamer ingelopen. De verteller kijkt naar de patiënt die met een vredige uitdrukking op zijn bed ligt. Voorzichtig maakt hij zijn hand van die van de patiënt los. Ondanks de toenemende drukte om zich heen blijft hij nog even zitten en sluit opnieuw zijn ogen.

Als hij zijn ogen weer opendoet merkt hij dat hij zich in de stilteruimte bevindt. Het geluid van een deur doet hem omdraaien. Zo ziet hij nog net de man die zojuist een hand op zijn schouder heeft gelegd de stilteruimte verlaten. Jacob is weer alleen, en in de stilte voelt hij nog even de aanwezigheid van zijn vader.
“Het is goed”, klinkt het nogmaals door zijn hoofd.

Kus!

 

Dag lieverds,

Willen jullie wat voor me doen?

En voor jezelf.

Nou voor iedereen eigenlijk.

Ik heb een nieuwe quotebirdy gemaakt. De simpelste en tegelijk krachtigste die er is.

Al was het maar omdat het de volle ruimte geeft aan quotebirdy zelf. De creatie van krachtwuuf Margreet Joosen, die al haar kracht en liefde in haar tekeningen stopt.

En dan is er de kus.Niet zo maar een kus. In die kus zit al mijn kwetsbaarheid en mijn liefde.

Kracht is kwetsbaarheid en andersom.

Dit is dus een bijzondere quotebirdy. En ik zou willen dat je hem door geeft. Voeg jouw liefde er bij, en deel het met mensen die het nodig hebben.

Deze Kus! is rechtenvrij. Je mag het plaatje downloaden. Je mag hem ook via een kaarten-druk-en-bestel-bedrijf per post laten versturen. (Geen links, geen reclame, zoek zelf maar even)

PS
Hier kun je iets meer lezen over mijn Kus!
http://jacobjanvoerman.nl/kus/

Lees hier over krachtwuuf.
http://www.krachtwuuf.nl/

Het nieuwe jaar

Dacht je nou echt dat het nieuwe jaar op 1 januari begon?

Welnee. Een jaar kan toch niet goed van start gaan zonder goede voorbereiding? Daarom neemt een oud jaar, aan het eind van zijn leven, het nieuwe mee, om te laten zien wat daar allemaal bij komt kijken, bij een jaar.

Op 1 januari heeft het jonge jaar al een hele inwerkperiode achter de rug.

“Gaaf!”, riep het enthousiaste jonge jaar: “dus we gaan nu de grote dingen zien?”

“De belangrijke dingen, had ik gezegd, en dat zijn lang niet altijd de grote dingen”. Het oude jaar liet de weerspiegeling van de zon in een regendruppel zien, de jongen die met zijn hond speelde, de vader die een kus plakte op een zere knie, de moeder die samen met haar zoon zijn nieuwe kamer witte, maar ook de man die ondanks de stortregen roerloos op een bank in het park zat.”

“Zijn er dan geen grote dingen, die belangrijk zijn?”, vroeg het jonge jaar.
Het oude jaar keek, met een eindeloos trieste blik in zijn ogen, het jonge jaar aan, aaide het teder, en liet toen, zonder iets te zeggen, de vluchtelingenkampen zien, en de rampgebieden.

“Deze mensen kunnen niet eens in jaren denken”, zei het oude jaar: “ze kunnen niet verder kijken dan de volgende dag. Toch kun je ze nabij zijn, de mensen die geplaagd worden door tegenslag. Wees nabij, ook voor de mensen die afstand van je willen nemen, die zeggen dat je hun jaar niet bent. Wees zachtmoedig. Je hebt geen schuld, je bent geen veroorzaker, maar je kunt het je wel aantrekken. Deze mensen hebben een zware last. Help ze om die te dragen.”

“Ook voor de mooie dingen is het belangrijk dat je onthoudt dat je ondersteunend bent, aan dat wat gebeurt. Nogmaals, je bent geen veroorzaker. Je bent . . .”, het oude jaar viel stil, en keek peinzend voor zich uit. Toen keek het oude jaar, het jonge jaar in de ogen, en zei: “Je bent.    . . . prachtig. . . Laten we het daar op houden.”

“Wat je verder moet weten, is dat een hoop mensen jou gaan claimen als hun jaar. Laat ze. Je bent groot genoeg voor iedereen. Het geeft ze hoop, en dat is een mooi cadeau.”

“En dan zijn er de goede voornemens. Je hebt misschien wel gehoord dat de oudere jaren daar wat denigrerend over doen, en toegegeven, de meeste voornemens zullen vergeten zijn voor jij uit de luiers bent, en toch, geef ze het voordeel van de twijfel, is mijn advies. Ik heb dat stom genoeg niet gedaan, en ben verrast door mensen die het me vervolgens stevig inwreven. Good for them. Mooier is het, om door je vertrouwen te geven, deel uit te maken van die successen.”

“Jij zult ook het gemopper over je heen krijgen. Wacht maar als de sneeuw valt, of als die juist niet valt, als er geen-, of te weinig ijs ligt, als de eerste warme dag te lang op zich laten wachten, als de zomer te koud is, of te warm. Laat het van je afglijden. Elk jaar krijgt dit over zich heen.”

“Trek je niets aan van de stickers die op je geplakt gaan worden. Dat is wat mensen graag doen. Laat ze. Wij jaren staan daar buiten. Wat uiteindelijk telt zijn de persoonlijke herinneringen die de mensen aan je hebben.”

“En als laatste belangrijke waarschuwing: Pas op met alle verwachtingen die ze aan je ophangen, als jassen aan een kapstok. Schud ze los, anders bezwijk je. Jij bent er niet voor om de verwachtingen van anderen uit te laten komen. Dat moeten ze zelf doen, en diep in hun hart weten ze dat. Jij bent … Nou ja, jij bent prachtig”

Je rol is om er te zijn, en alles te delen. Alle vreugde en alle verdriet. Wees een klankkast, resoneer.

Het oude jaar gaf het jonge jaar een dikke kus, en zei: “Je bent er nooit echt helemaal klaar voor, maar je kunt het. Mocht je dat ooit vergeten, onthoud dan dat ik het je gezegd heb, en ik kan het weten.”

Toen ging het oude jaar, en het nam alle kostbare herinneringen in zijn hart om ze daar te koesteren.

De deur naar geluk

De deur naar geluk

Hij was er eindelijk achter waar die moest zitten.

De deur naar geluk.

Dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Natuurlijk in dezelfde muur waar hij al zo lang zijn hoofd tegen stootte.

En dus stond hij nu voor die eindeloze muur. Zoekend. Want dat het een verborgen deur was, dat was hem ook duidelijk.

Hij deed een stap naar voren, en betaste de muur met zijn vingers. Het duurde lang voor hij het vond: een onzichtbare naad. Hij probeerde de naad naar boven te volgen, maar was die al snel weer kwijt. Ook naar beneden hield hij eerder op dan hij verwachtte. Terug, naar de plaats waar hij het laatst iets voelde. Voorzichtig voelde hij links en rechts.

Ja! Daar was het.

Toen hij de vorm helemaal gevolgd had, snapte hij waarom die eerst niet had kunnen vinden. Het was wel de vorm van een deur, maar liggend, in plaats van staand. Zwevend in het midden van de muur.

Het mechanisme kostte hem minder moeite. Hij duwde met beide handen licht tegen het midden van de deur. De bovenkant klikte zacht open. Met zijn vingers aan de bovenrand, trok hij de deur als een luik naar beneden open.

Het was schemerig daarachter. Net toen hij zijn hoofd naar voren wilde buigen om beter te kijken, deinsde hij geschrokken weer achteruit. Iemand kwam uit die schemerige ruimte door de deur getuimeld, en viel voor zijn voeten op de grond.

Toen de figuur op stond zag hij tot zijn verbazing dat hij het zelf was. Hij was zo verbaasd door deze verschijning dat hij amper opmerkte dat daarachter de muur langzaam oploste in het niets.

Zijn andere ik keek hem aan. De ogen flikkerden van herkenning.

Zijn andere ik kwam naar hem toe, en omhelsde hem.
“Natuurlijk ben jij het!” zei deze: “Bedankt! Ik wist dat het je zou lukken. De deur naar het geluk is open. Bedankt dat je me eruit hebt gelaten.”
Daarna keek deze nieuwe ik in het rond.
“En het is nog mooier dan ik had gedacht! Wat een vrijheid, wat een geluk.”
Zij andere ik draaide zich om en liep van hem vandaan. Eerst aarzelend, daarna soepel. Hij huppelde zelfs een stukje. Toen bleef de nieuwe ik staan een draaide zich nog één keer om. En zwaaide.
“Prachtig is het. Wat een mooie wereld. Nogmaals bedankt!”

Bijna automatisch zwaaide hij terug, verbaasd kijkend naar zijn nieuwe ik en de wereld.

Verliefd op Liedewij

Ik was op het Ponderosa festival, om onze verwonderfabels-kaarten te verkopen, en om te vertellen.

De verkoop liep niet zo, het vertellen wel.

Voordat ik vertel over het vertellen eerst even waarom ik toch bij ben met die verkoop. Want ik kon zien dat de kaarten iets deden. Ze raakten. En dat is precies waarom we ze maken. (Je kun ze hier vinden)

Het vertellen,

aah     het vertellen.

Ik had heel divers publiek. Kinderen vanaf ongeveer 5 jaar¹, pubers en volwassenen. Gelukkig hebben mijn verhalen meerdere lagen, en ze werkten gisteren op alle niveaus.

Dat is geluk!

Mijn medeverteller is verliefd geworden op Liedewij, en heeft me gevraagd of zij het mag opnemen in haar repertoire. Dat mag!

Intussen tekent Margreet verder aan Liedewij :

liedwij 1 liedwij 1a

liedewij2  liedewij 2a

 

 

 

¹

Gelukkig niet van 2 of 3 jaar.  Lieve ouders doe de andere luisteraars een lol en neem die heeele jonge kinderen niet mee naar een verhaal, als dat niet uitdrukkelijk bedoeld is voor dat piepjonge volk. Ze kunnen de aandacht er niet bij houden, maar houden wel de aandacht van alle anderen weg bij het verhaal.

 

Gastblog 3 van Mirjam Bogerd: Kronkels

vreemde vogels groot(1)

Van jongs af aan heb ik kronkels in mijn hoofd. Gedachten en observaties waar ik om moet lachen, stiekem in mezelf of samen met mijn zus. Ik ben geen gangmaker op een feestje, kan echt geen mop vertellen en verreweg de meeste van mijn gedachten worden prompt niet meer grappig als ik het probeer te vertellen.

Deze kronkels hebben daarom vaak in mijn hoofd gezeten. Overal waar ik kwam, duurde het geruime tijd voordat iemand ‘mijn humor ontdekte’ en ik soms ontdekte dat anderen hetzelfde grappig of opvallend vonden. Het was vaak een eenzaam verhaal.

Tot ik ging tekenen en gedichtjes ging schrijven. In het tekenen ontdekte ik een manier om mijn humor en mijn observaties te delen op een manier die overkwam. Heel voorzichtig zette ik deze kronkels op mijn kop. Ik deelde wat op Facebook, liet hier en daar eens wat zien en toen ik mee ging doen met de training Imperfect Onderweg van GaveMensen kwam er echt wat op gang. Een interview, een radio-uitzending, mijn eerste betaalde opdracht. En dus moest er een website komen. In elk geval om de mogelijkheid te hebben te laten zien wat ik doe en contactgegevens te vermelden. De website is in aanbouw, de opzet gemaakt, de ideeen liggen er, de aankondiging zelfs gedaan… en toen… waren er andere kronkels.

Er zijn namelijk niet alleen grappige kronkels, maar ook angstige, verwarrende, terughoudende, oordelende kronkels. Deze kronkels zijn moeilijker om te laten zien. Zelfs al is het aan vertrouwde mensen. Het zijn de kronkels die iedereen kent, die maken dat je uitstelt, dat je afstelt, dat je koudwatervrees hebt van het ergste soort en dat je je uiteindelijk schaamt, omdat je het niet hebt gedaan. Nog meer kronkels. Die ik het liefste verborgen houd, ook al word ik er gek van.

Maar ik weet inmiddels… ‘kronkels op je kop luchten op’, dus ook deze mogen zichtbaar zijn. Niet overal, niet altijd, niet zomaar, maar wel. Dwars door het pijnlijke gevoel heen, dwars door de spanning van nieuwe dingen doen, omdat kronkels die op je hoofd staan liefdevol geaaid kunnen worden, misschien geborsteld of eventjes gladgestreken. Dat geeft ruimte. Verbinding. Opluchting.

En uiteindelijk… vast.. ook een website.

Bijzonder. Gastblog van Sanneke van Hasselt

Bijzonder

vreemde vogels groot(10)

Verhalenjuf.

Ik kwam er achter toen ik eventjes bij de onderbouw aan het buurten was waar broertjes en zusjes van mijn Grote Hummels zitten.
Verhalenjuf, word ik stiekem genoemd.
Oeh, wat voelt dat goed!
Hebben we een verloren moment in de klas, dan kijken ze me verwachtingsvol aan.
Ik speel mee, kijk bezorgd op de klok of er wel tijd is.
Twijfel.
En schuif dan mijn stoel naar het midden van de klas.
Ze gaan er eveneens voor zitten.

“Verzonnen of echt?”

“Echt, juf!”

En ik verhaal over onze slimme kat die mij muizen liet jagen, over de avontuurlijke speurtocht die mijn broer voor me uitzette tijdens Sinterklaas, over gekke leraren op mijn middelbare school. Ik vertel over de elfenbankjes in het park, over zoektochten naar stripboeken temidden van een orkaan en over dromen die soms uitkomen.
Ik zie de gezichtjes.
Ze reizen mee in de tijd, nemen de beelden in zich op. Ze denken dat ik hen een plezier doe, maar ik doe mijzelf evengoed een lol: ik kom uit een familie met een sterke verhalentraditie. Er is niets mooiers dan het delen van de betovering.
Als ik dan vertel over die ene merel die begon te zingen net nadat ik wakker werd uit een bijzonder mooie droom, hoor ik een diepe zucht.

“Juf, uw leven lijkt wel een boek!”

Ik grinnik.

“Hoe komt het dat wij dat niet meemaken?”

Och jee. Die vraag ken ik van vroeger: op de middelbare school schreef ik dagboeken vol met de meest krankzinnige uitspraken en gekke dingen die er gebeurden, met beschrijvingen van bloemen, dromen en regenbogen op bijzondere momenten. Was ik dan eens een dagje ziek en vroeg ik of er nog iets moois gebeurd was, dan was het antwoord steevast: ‘Nou, nee….niets.’

Ik leg het uit.”Je maakt het wel mee. Je let alleen soms op andere dingen en dan vergeet je juist dat mooie moment snel. Maar ik heb veel opgeschreven in die tijd, de dingen die ik graag wilde onthouden.”

“Maar ik maak nooit wat mee!” Is het protest. Herkenbaar van kinderen die weinig tijd meer hebben om even lekker te niksen.

En toch…

“Echt?” Vraag ik nog eens. “Wat vertelde je me nou ook alweer over die schelp die je gevonden had?”

Even wordt er nagedacht. Ogen worden groot. “Ik kon de zee horen! En nu heb ik altijd de zee bij me, ook als we niet op vakantie gaan!”

Het is alsof alle stofwebben worden weggeblazen. De een na de ander gooit een vinger omhoog met een mooi verhaal over belletje trekken waar het mis ging, een prachtige panna tegenover een groep 8 leerling, een heksenkring gevonden hebben, die ene mooie steen die net in het water lag toen de zon erop scheen.

Ze pakken hun eigen boek op en delen het gretig.

“Wauw, jongens, wat een prachtverhalen!”

Ja, dat vinden ze nu eigenlijk ook wel.
Met opgeheven hoofd gaan ze naar huis.

De volgende dag vind ik een verzameling prachtige kiezels op mijn tafel.

Zelf gevonden.
Op het schoolplein.
En nu mogen ze bij ons in de vensterbank net zo hard stralen als de kinders die hun Bijzonder gevonden hebben.

 

(dit is het tweede gastblog in de blogronde)

Gastblog van Brigitte Kavermann

Daar zat ik dan, in een clubje kleiner dan gewoonlijk en mede daardoor gingen de gesprekken dieper.

Ze gíngen ergens over, over zaken die ons raken en met zorgen voor en over elkaar te maken hebben.
Fijn vind ik dat.

En doordat iemand anders de kronkelveren in alle pracht (en moeilijkheden) liet zien . . .

vreemde vogels groot(1)

 

. . . durfde ik een vraag te stellen, een vraag over mijn invloed op die veren.
Ik was op vanalles voorbereid
vreemde vogels groot(11)

Maar dus niet op het antwoord dat volgde, “die veren, die zijn van mij, daar zit geen kruimeltje van jou bij”

Dat ik, hélemaal geen invloed had gehad, dat maakte me even “los van alles” een soort van onzeker, maar dan zonder een knoop in mijn maag.
Ik ben, dagen later, nog aan het voelen en verwerken.
En ik ben er zó blij mee.
Dankbaar dat ik die veren mocht zien, dat ik de bezorgdheid mocht voelen, zien, horen, proeven zelfs. En dankbaar voor het ontdekken van de diepte die het “los zijn” met zich meebracht.
Ik ga op ontdekkingsreis.

 

(Dit is het eerste blog in onze blogronde)