Doni en de grote jongens

Toen hij voor het eerst naar school ging zag Doni tot zijn grote schrik dat daar grote jongens rondliepen.

Zo noemde hij ze, de grote jongens,  ook al was een van hen kleiner dan hij.

Groot zat hem niet in lengte. Groot zat hem in de manier waarop ze keken. En in de manier waarop anderen naar de grote jongens keken. De grote jongens namen erg veel ruimte in. Letterlijk, door speelhoeken zo te bezetten dat Doni er niet bij kon, of durfde. Maar ook op een andere manier, alsof de lucht benauwder was als ze in de buurt waren.

De grote jongens waren er al. Dat vond Doni misschien wel het ergste, dat het water niet glad was.

Zijn vader werkte in een revalidatiecentrum, en daar hadden ze een eigen zwembad. Met extra warm water, had zijn vader verteld, omdat dat goed was voor de spieren, en hij legde Doni uit dat zwemmen niet alleen voor het plezier was, maar dat het gebruikt werd om de spieren losser te maken, dat er dus ook hard gewerkt werd.

Doni had één keer mogen zwemmen in dat bad.

Wat hem het meest was bijgebleven was het stille, rimpelloze wateroppervlak. Doni was daar zo van onder de indruk geweest dat hij een hele tijd had staan kijken naar die betoverende vlakte, waarin je ramen en het plafond kon zien spiegelen. Daardoorheen zag hij ook de bodem, die langzaam omhoog kwam.

Het water had  hem welkom gefluisterd,  was een uitnodiging geweest om alles te geven, alles te doen, alles te maken, alles te zijn. Heel anders dan het drukke buurtzwembad. Dat was vol lawaai. Daar kon je amper een plekje vinden om voorzichtig het water in te stappen.

De grote jongens waren als het drukke buurtbad. School voelde alsof alles al bezet was. En als ze je aankeken, de grote jongens, klonk er geen zacht fluisterend welkom, maar een indringend “opzij!”

Elke morgen hing Doni een deel van zichzelf met zijn jas aan de kapstok voordat hij het lokaal binnen ging. Het deel waar geen plaats voor was.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *