Een wandeling

 

Neem mijn hand.

Want we gaan verdwalen, daar kun je zeker van zijn.

We nemen de zijpaadjes, en als ik democratisch was mocht jij ook een keer kiezen.

Maar nu niet.

Afhaken mag je, natuurlijk, dat mag. Best kans dat het niks is, voor jou.

Anders gewoon volgen.

Waarheen is mij nog niet bekend. Ik wil je iets laten zien van het grote alles dat ik vandaag voelde. Net was het nog hier, maar het is verdwenen toen ik op jou wachtte.

Geeft niet, het grote alles laat zich niet kennen. Alleen voelen kun je het, in het voorbijgaan.

Daarom gaan we, zo maar, op goed geluk, lopen.

Hier linksaf, we gaan eerst even het bos uit,

en verrassing . . .

. . . we staan plotseling op een strand.

Nee, geen zee. Zo’n prachtig bosmeer, met een zandstrand.

Dat witte, zachte zand.

Doe je schoenen uit. Voel het losse zand tussen je tenen.

Als er ooit weer iemand moppert dat iets van los zand aan elkaar hangt, dan herinner je dit moment. Het is niet echt gebeurd, en toch herinner je het. En je weet dat er niks te mopperen is, dat los zand prima is, omdat je je tenen nog voelt wiebelen.

Het water doen we later,

misschien,

nu gaan we terug het bos in.

Bos.

Dus doe weer even je schoenen aan. Dennenappels zijn scherp, als je er met blote voeten op stapt.

Van de felle zon gaan we de schaduw in. Doe net als ik je ogen dicht.

We ruiken zoete hars.

Zo blijven we even staan. Misschien horen we vogels. In ieder geval voelen we de koelte.

We doen onze ogen open en zien dat de zon een schitterend spel speelt met de bladeren. Donkergroen, lichtgroen, doorschijnend groen, en snippers blauwe lucht.

Dit is het bos uit onze kinderboeken. Dit is het bos uit onze jeugd. Kijk maar, de bomen zijn groter.

Woud.

We wandelen over de kleine, kromme paadjes, ver van het grote pad. Bij elke stap wordt het gevoel sterker. Ruik de hars.

Voel dat de lucht zwanger is van mogelijkheden. Voel dat je met je gedachten iets kunt scheppen. Alles kunt scheppen. Wat jij maar wilt. Als je het maar wilt.

Als je dat hier in het woud kunt voelen, kun je het overal voelen.

En natuurlijk is er de open plek. Hier houdt het woud zijn adem in.

We gaan zitten in de schaduwrand, en wachten.

Als het avond wordt en stil,

als de maan de open plek verlicht,

dan lopen we naar het midden.

We kijken rond, en omhoog.

Aanwezig aan de wereld, zijn we. Van aangezicht tot aangezicht.

Doe net als ik je armen wijd, en dan naar boven en . . .

en voel . . .

dat hier alle troost is die je ooit nodig had.

Voel hoe welkom je bent. Voel hoe alles zachtjes, zonder woorden, fluistert over je huid.

Dat wat je niet kon horen komt nu binnen.

Je bent aanwezig

hier, op deze plek,

hier

nu.

Nu

voel nu

weer hoe je zit.

Dit zijn weer woorden.

Als je zonet een reis gemaakt hebt

is het precies dat:

jij, schepper,

hebt iets gemaakt,

een reis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *