Het verhaal van de stilte

In het stiltecentrum van het ziekenhuis zit Jacob, arts in opleiding. Hij heeft net zijn  begeleidingsgesprek achter de rug.

Ongeschikt.

Dat woord werd in het gesprek te nadrukkelijk vermeden.

Jacob wilde zich verdedigen, maar de uitdrukking op het gezicht van zijn begeleider deed hem zijn protesten inslikken, en de stress en paniek van de afgelopen maanden verdronken in een golf van verdriet. De kracht daarvan was zo groot dat hij werd overrompeld. Hij is gevlucht naar de stilteruimte.

Daar is die ene gedachte bovenal aanwezig: stoppen met de studie is verraad aan zijn vader. Hoewel hij probeert zijn emoties in bedwang te houden kan hij niet voorkomen dat de beelden bovenkomen. Het strakke gezicht en de houterige bewegingen die veroorzaakt werden door de Parkinson. De spullen die zijn vader verzameld had op krukjes rond zijn stoel in de hoek van de kamer, zodat hij er makkelijk bij kon. De handen die ooit een poppenkast hadden gebouwd als verjaardagscadeau, maar nu moeite hadden met de simpelste handelingen.

De beelden brengen hem terug naar het ouderlijk huis. Met zijn allen rond de tafel, gezamenlijk in het regelen van de begrafenis, verbonden in verdriet. Hij hoort weer de koeling onder de grafkist die af en toe aansloeg. Alsof zijn vader vanuit de hoek van de kamer liet weten dat hij er nog was.

Hij weet niet hoelang hij hier al zit als er een man binnenkomt die zwijgend op het bankje naast hem gaat zitten.
“Mooi hè?, de stilte”, zegt de man. Hij legt zachtjes zijn hand op de schouder van Jacob. Deze voelt daarin een aanmoediging om zich te laten gaan. Heel langzaam beginnen de tranen te stromen, en hij geeft zich over aan het verhaal van de stilte.

Veel later loopt Jacob weer door de gangen van het ziekenhuis. Als hij een arts tegenkomt voelt hij niet langer dat knagende gevoel in zijn buik. Zijn medische loopbaan is een vage herinnering. Hij heeft nu zijn eigen werk in het ziekenhuis, als verteller. Aan het ziekbed maakt hij samen met de patiënt een verhaal. Hij heeft van verschillende artsen en verpleegkundigen al te horen gekregen dat dit het genezingsproces positief beïnvloedt.

Vandaag is hij op weg naar een patiënt die Parkinson heeft en vanwege complicaties is opgenomen. Zijn hoofd zit vol gedachten. Voor de kamerdeur stopt hij. Hij haalt diep adem om zijn hoofd leeg te maken en loopt dan de kamer binnen. Hij groet de patiënt en gaat op de rand van het bed zitten.
“Zullen we maar gewoon beginnen?”, hij neemt de hand van de patiënt in de zijne. De patiënt knikt.
“Goed. Waarheen leidt ons verhaal?”
“Naar de bergen”, antwoordt de patiënt.
“Sluit dan je ogen en zie de bergen voor je”. De patiënt en de verteller sluiten beiden de ogen. De verteller gaat verder:
“Ruik de frisse berglucht. Voel je voeten op de rotsbodem. Luister naar de geluiden om je heen. Kijk naar alle kleuren die je hier kunt zien.”
“Ik ben er”, zegt de patiënt even later, “ik zie een bergpad omhooglopen”.
“Zullen we het pad volgen?”, vraagt de verteller.

De patiënt antwoordt bevestigend en samen lopen ze het pad op. Het pad leidt zigzaggend omhoog. Ze lopen door loofbos, klauteren over rotsen, steken wildstromende bergbeken over en rusten uit in een alpenweide. Dan gaan ze weer verder. Het loofbos gaat langzaam over in naaldbos. De begroeiing wordt lager, tot er alleen nog wat mos te zien is tussen de rotsen. Weer houden de wandelaars stil.

Zittend op een grote rots kijken ze het dal in.
“Wat, mooi om het leven vanaf deze hoogte te bezien”, zegt de patiënt. De verteller kijkt opzij. Hij ziet een vredige glimlach op het gezicht van zijn wandelpartner. De patiënt wijst omhoog, naar de toppen die boven hen liggen.
“Die top daar”, de patiënt wacht even tot de verteller zijn wijzende vinger heeft kunnen volgen, “die top kunnen we nog bereiken.”
De verteller knikt en ze gaan weer op weg. De patiënt gaat voorop, zijn pas is veerkrachtiger geworden. Met zichtbaar gemak vinden zijn voeten een weg over de rotsen. De verteller volgt, maar moeizamer. Hoe hoger ze komen, hoe meer moeite hij krijgt met het tempo van zijn reisgenoot. De top blijkt verder weg dan hij dacht. Hij dringt aan op een pauze. Eenmaal zittend komt hij langzaam weer op adem.
“Ik weet niet of ik het nog red tot de top”, zegt hij, “Misschien is het verstandiger om weer terug te keren.”
“Ik wil wel erg graag de top zien te bereiken”, zegt de patiënt, “wacht jij dan hier”.

De verteller is te moe om er tegen in te gaan en gebaart dat zijn reisgenoot dan maar verder moet gaan. Hij kijkt hem na. Als hij ziet hoe oneindig klein de wandelaar wordt ten opzichte van die machtige toppen beseft hij pas wat de patiënt aan het doen is. Hij wil opstaan, hem achterna. Dan voelt hij een hand op zijn schouder die hem zacht tegen houdt. Hij kijkt om en ziet zijn vader staan.
“Het is goed.”, zegt deze: “Op dit laatste stuk kun jij niet mee. Het is nu zaak om je eigen weg weer te vervolgen”.

De verteller kijkt naar de wandelaar die nauwelijks meer te zien is. Zijn ogen dwalen af naar de silhouetten van de bergtoppen. Haast onmerkbaar gaan ze op en neer als ze de pieken en dalen volgen.

De pieken en dalen op de monitor naast het bed van de patiënt worden onregelmatiger en gaan over in een vlakke lijn. De verteller doet zijn ogen open. Op de pieptoon komen verpleegkundigen de kamer ingelopen. De verteller kijkt naar de patiënt die met een vredige uitdrukking op zijn bed ligt. Voorzichtig maakt hij zijn hand van die van de patiënt los. Ondanks de toenemende drukte om zich heen blijft hij nog even zitten en sluit opnieuw zijn ogen.

Als hij zijn ogen weer opendoet merkt hij dat hij zich in de stilteruimte bevindt. Het geluid van een deur doet hem omdraaien. Zo ziet hij nog net de man die zojuist een hand op zijn schouder heeft gelegd de stilteruimte verlaten. Jacob is weer alleen, en in de stilte voelt hij nog even de aanwezigheid van zijn vader.
“Het is goed”, klinkt het nogmaals door zijn hoofd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *