Spiegels

Ik ben zes en sta op een kruk,
voor de wastafel op de slaapkamer van mijn ouders.
Het kastje daarboven heeft spiegels als deuren, ook aan de binnenkant. Ik leun voorover want ik heb ontdekt dat daar, in die spiegels de oneindigheid is. Nóg verder, om het beter te kunnen zien.

Wég oneindigheid. Mijn eigen hoofd zit er voor, en blijft er voor zitten, wát ik ook doe. Ik buig terug. Ik probeer de deurtjes zo te bewegen, dat ik zo ver mogelijk kan kijken. Dat is niet ver genoeg. De oneindigheid neemt een flauwe bocht, en gaat dan zelf het hoekje om.

Later. De vader van een vriendje is politie agent. Ik mag een keer kijken op het politiebureau.  Daar zie ik, een wonder. De spiegel van de observatiecel. Waar je aan de ene kant doorheen kunt kijken, maar die aan de andere kant spiegel is

Dit is de oplossing. Als ik een van de twee deurtjes vervang door zo’n spiegel!

Maar als ik beter kijk, weet ik dat ook dit niet gaat lukken, want als ik met mijn voorhoofd tegen de spiegelkant sta, kan ik er tóch doorheen kijken.  

Dat betekent natuurlijk dat na spiegel op spiegel,  de spiegel steeds minder spiegelt.

Ik weet ook dat dat niet de échte reden is dat het niet gaat lukken.

Want het is vals spelen. De oneindigheid in het gezicht willen kijken, maar zelf niet gezien willen worden.

Ik weet dat er iets is, vlakbij. Ik heb het bijna aangeraakt.

En tegelijk weet ik, dat ik het nooit zal weten.

En dat wist ik van te voren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *